Zoals ik al eens eerder geschreven heb: er is nogal eens overlap tussen ‘de bak’ en ‘de straat’. Wie op straat leeft, heeft een grotere kans om in de bak terecht te komen en wie in de bak gezeten heeft, komt na einde straf nogal eens op straat terecht. Een trieste vicieuze cirkel. Dus toen ik van mijn katholieke collega-aalmoezenier in de Gentse gevangenis hoorde dat Wout, één van mijn gasten van de straat, sinds kort in ‘t gevang zat was ik niet erg verbaasd. Zelfs niet toen ik hoorde dat hij naar mij gevraagd had – de meeste van mijn gasten weten wel dat ik ook in de bak werk. Wat mij nochtans wél verraste was dat hij dringend gevraagd had om mij te zien omdat hij met iets in z’n maag zat. De laatste keer dat ik ‘m getroffen had was tijdens de koffiebakfiets-ronde. Hij was die ochtend erg slaperig en had naar mijn inschatting ook waarschijnlijk wel een kater, en had me nogal mopperig gezegd dat hij met rust gelaten wilde worden. Als zoiets gebeurt verschiet ik daar niet gauw van. Veel mensen zijn ‘s morgens vroeg niet op hun best en hij had er uiteindelijk ook niet om gevraagd om door mij lastig gevallen te worden. Maar – zo zei mijn collega – Wout voelde zich er schuldig over en daarom wilde hij mij zo graag spreken. Het was al aan het einde van de namiddag dat ik ‘t hoorde en ik had nog een meditatie-bijeenkomst te begeleiden, maar daarna ging ik toch nog maar even naar ‘m toe. Wout was dolblij om me te zien en we hadden een heel fijn gesprek samen. Hij wilde ook graag naar de kerkdienst komen op maandagavond, zei hij aan het einde.
Dat zijn chagrijnige reactie hem zo’n schuldgevoel had bezorgd, was niet eens het meest opvallende in het hele verhaal. Het meest opvallende was dat hij er al zo lang mee rondgelopen had. Door alle gebeurtenissen in mijn persoonlijke leven was ik meer dan drie maanden niet met de koffiebakfiets rondgegaan. Dus die laatste ontmoeting ‘s morgens vroeg was al meer dan drie maanden geleden…. En al die tijd had Wout er kennelijk last van gehad. Dat ik ‘t hem direct en met vreugde vergaf, was voor hem een bevrijding. Toen ik voor afscheid van hem nam met een vrolijk “tot maandag dan” stonden er tranen in z’n ogen. Wat een last kunnen we onszelf soms opleggen, bedacht ik me toen ik naar huis fietste. Voor zover ik weet had ik op die vroege ochtend, meer dan drie maanden geleden, aan Wout geen aanleiding gegeven om zich schuldig te voelen. Dat schuldgevoel kwam echt alleen uit hemzelf. Des te blijer was ik dat ik ‘m ervan kon verlossen – om er maar eens een ‘zwaar’ woord voor te gebruiken.
Het herinnerde me er in ieder geval ook weer aan hoe kwetsbaar zo’n man kan zijn die toch alle aanleiding heeft om zich juist stoer en sterk te houden – het leven op straat vraagt daar maar al te vaak om en het leven in de bak trouwens ook. Dan ontroert het me, dat Wout zich tegenover mij (en tegenover mijn katholieke collega!) wél kwetsbaar durfde opstellen. En moest ik denken aan wat ik hoorde van Mattie, een andere bajesgast, die me ooit zei: “als ik met jou praat hoef ik geen masker te dragen”. Misschien is dat wel één van de belangrijkste dingen die ik als straatpastor en gevangenisaalmoezenier kan doen. Mensen het vertrouwen geven dat ze tegenover mij kwetsbaar mogen en kunnen zijn. En als dat lukt, voelt het voor mij evengoed als een geschenk. En ben ik weer intens dankbaar dat ik dit werk mag doen.
