(Bewerking van mijn preek voor Pinksterzondag in ‘De Rots’ te Ieper)
De koffiebakfiets blijft een bron van mooie ontmoetingen in de vroege ochtend. Als ik langskom met verse koffie en thee voor mensen die buiten slapen, zijn die vaak nog slaperig en al heel blij met de koffie, maar soms zijn ze wel te vinden voor een praatje. Maar dat praatje is dan lang niet altijd evident.Want niet iedereen die buiten slaapt spreekt genoeg Nederlands daarvoor. Dan moeten we terugvallen op Engels of Duits of Frans, of lukt het gewoonweg niet. Dan moeten we het houden bij een dankbare hoofdknik en een vriendelijke glimlach. Hoe weinig het ook lijkt, het is vaak genoeg. Als je elkaar goed gezind bent, is er veel mogelijk. Maar laatst had ik te maken met een oudere mevrouw uit – ik vermoed – Roemenië, die medische hulp nodig had. Zelfs met Google Translate kon ik haar niet duidelijk maken waar ze het beste naar toe kon gaan. Dan wordt het niet-kennen van elkanders taal erg frustrerend.
Er zit natuurlijk één groot verschil tussen beide situaties. Die Roemeense mevrouw die ik maar niet verstond en die mij maar niet verstond, die had iets van mij nodig. Iets wat ik wél had en zij niet: kennis over waar zij met haar probleem terecht kon. Ik zat, met andere woorden, in een machtspositie tegenover haar. Uiteindelijk gingen we toch in goede verstandhouding uit elkaar, al had ik haar probleem niet kunnen oplossen. Omdat zij ook wel zag dat ik graag wilde, maar niet kon. Het was voor ons allebei frustrerend, en daarmee waren we toch weer een béétje gelijkwaardig. Maar stel je voor dat ik vertegenwoordiger was van een OCMW of een andere officiële instantie. Dan is er pas écht sprake van machtsverhoudingen. En dan zou de situatie wel eens veel frustrerender kunnen worden – vooral voor haar. De factor ‘macht’ speelt hier een beslissende rol in. Ook als ik met de koffiebakfiets rondga, heb ik iets wat mijn gesprekspartner
s niet hebben, namelijk koffie. Toch is dat een heel andere situatie. Ik heb ook wel meegemaakt dat de mensen aan wie ik koffie kwam brengen, mij op hun beurt bijvoorbeeld een stuk chocola aanboden. We hadden elkáár iets te bieden. En als we een babbelke kunnen slaan, is dat voor ons allebei zinvol. De verhoudingen zijn anders. Geen macht, maar relatie – misschien zelfs vriendschap. En dan versta je elkaar wel. Zelfs al spreekt de één plat Gents en heb ik er nog steeds moeite mee om dat te volgen – en spreekt een ander weer een hemeltergend mengsel van Nederland, Frans en Arabisch. Of Engels met een zwaar Eritrees accent. We komen er altijd wel uit.
Aankomende zondag vieren we Pinksteren, het begin van de kerk. In het verhaal dat daarbij hoort wordt verteld hoe “alle volkeren onder de hemel” elkaar verstonden toen de Geest van God over hen kwam. De kerk, de gemeenschap van volgelingen van Jezus Christus, is niet gebouwd op macht, maar op gemeenschap en op eenheid in verscheidenheid. Misschien spreken we niet allemaal dezelfde taal. Maar waar de Geest aan het werk is, en waar wij die Geest de ruimte geven – daar is veel mogelijk. Waar we bereid zijn om te erkennen dat de Geest door ons allemáál kan werken – daar is veel mogelijk. Waar we bereid zijn om elkaar open tegemoet te treden – binnen de kerk, buiten op straat of waar dan ook – daar is veel mogelijk. Zelfs al spreken we verschillende talen….